Wonen
Kerstverlichting die jaren meegaat: waar je op let voordat je koopt

Ergens eind november komt bij de meeste mensen dezelfde doos van zolder. Je trekt de snoeren eruit, prikt de stekker in het stopcontact en ontdekt dat een derde van de lampjes het niet meer doet. Dan volgt het bekende ritueel van schudden, draaien en uiteindelijk toch maar een nieuwe set kopen.
Dat patroon herhaalt zich in heel veel huishoudens, jaar na jaar. En het is precies waar de meeste winst te halen valt, want kerstverlichting hoeft geen wegwerpartikel te zijn. Een goede set gaat tien jaar mee. Een slechte set haalt drie decembers.
Waarom LED het verschil maakt
De overstap van gloeilampjes naar LED is voor kerstverlichting groter dan bij gewone lampen. Oude kerstsnoeren met kleine gloeilampjes worden warm, verbruiken relatief veel stroom en vallen uit zodra er één lampje kapot gaat, omdat ze vaak in serie geschakeld zijn. LED-snoeren worden nauwelijks warm en gebruiken een fractie van de energie.
Dat warmte-aspect wordt onderschat. Een boom die drie weken lang elke avond brandt met warme lampjes tussen droge naalden is een risico dat je met LED simpelweg niet hebt. Bij een echte kerstboom die water opneemt speelt dat minder, maar bij een kunstboom of tussen droog decoratiemateriaal is het een reëel verschil.
Let bij aanschaf op de aanduiding voor binnen- of buitengebruik. Voor buiten heb je een set nodig met een IP-aanduiding die aangeeft dat de behuizing tegen vocht kan. IP44 is het minimum voor een overdekt terras, voor volledig onbeschutte plekken wil je hoger zitten. Een set voor binnen die je toch aan de gevel hangt, is een van de meest voorkomende oorzaken van kortsluiting in december.
Warm wit of koel wit, en waarom die keuze blijft hangen
De kleurtemperatuur bepaalt meer van de sfeer dan het aantal lampjes. Warm wit, ergens rond de 2700 kelvin, geeft het gele licht dat de meeste mensen associëren met kaarsen en gezelligheid. Koel wit trekt richting blauw en oogt strakker, moderner, en in een woonkamer vaak killer dan mensen vooraf verwachten.
Er is een praktische reden om hier goed over na te denken. Je koopt zelden alles in één keer. Volgend jaar komt er een snoer bij voor de vensterbank, het jaar daarna eentje voor de trapleuning. Als die verschillende kleurtemperaturen hebben, zie je dat meteen. Twee tinten wit naast elkaar ogen als een fout, niet als een keuze. Wie eenmaal voor warm wit kiest en dat volhoudt, bouwt over de jaren een verzameling op die samenwerkt.
Voor de boom zelf geldt een vuistregel die bij kerstboomverlichting vaak wordt aangehouden: reken op ongeveer honderd lampjes per meter boomhoogte voor een rustig resultaat, en het dubbele als je een vollere lichtdichtheid wilt. Een boom van twee meter zit dan tussen de tweehonderd en vierhonderd lampjes. Meer dan dat wordt zelden mooier, alleen drukker.
De techniek die bepaalt of je set het volgende jaar haalt
Drie dingen bepalen de levensduur, en geen daarvan staat groot op de verpakking.
Ten eerste de bedrading. Snoeren waarbij de lampjes vastgegoten zitten in het draad gaan langer mee dan sets met losse fittingen, omdat er geen contactpunten zijn die kunnen oxideren. Ten tweede de aansluiting op de trafo. Dat is bij goedkope sets vaak het eerste onderdeel dat het begeeft, en meestal is het niet te vervangen. Ten derde de opbergmethode, wat eigenlijk geen techniek is maar wel het meeste uitmaakt.
Snoeren die je in een prop terugstopt in de doos komen volgend jaar tevoorschijn met knikken in de bedrading. Op die knikpunten breekt de koperdraad, soms pas na twee seizoenen. Wikkel een snoer om een stuk karton of een lege kabelhaspel en je verdubbelt de levensduur zonder een cent uit te geven.
Timers, sensoren en het verbruik dat je niet ziet
Een set van driehonderd LED-lampjes verbruikt weinig, maar zes weken lang van ’s ochtends tot ’s nachts branden telt op. Een simpele stekkertimer kost een paar euro en zorgt dat de verlichting aangaat als het schemert en uitgaat als je slaapt. Voor buitenverlichting werkt een schemersensor nog beter, omdat die meebeweegt met de dagen die korter worden.
De rekensom is niet spectaculair, maar hij loopt wel op als je meerdere sets hebt hangen. En er zit een tweede voordeel aan. Minder branduren betekent minder slijtage aan de LED’s zelf, die uiteindelijk ook doven.
Kiezen voor uitbreidbaar in plaats van compleet
De grootste denkfout bij kerstverlichting is dat mensen per jaar per plek kopen. Dit jaar een set voor de boom, volgend jaar iets voor de schuur, het jaar daarna een lichtnet voor de heg. Zo eindig je met acht incompatibele systemen, verschillende stekkers en een verdeeldoos die er niet tegen kan.
Wie in plaats daarvan één systeem kiest dat je kunt doorkoppelen, bouwt rustiger op. Veel modulaire systemen in het assortiment kerstverlichting werken met één trafo waarop je snoeren, lichtnetten en figuren aan elkaar schakelt. Je begint klein en breidt uit zonder dat het een rommeltje wordt.
Bij De Bosrand, een familiebedrijf dat in 1980 begon als kwekerij en inmiddels zes vestigingen heeft, zie je dat terug in de manier waarop het kerstassortiment is opgebouwd rond series die je over meerdere jaren kunt aanvullen.
De duurzaamste kerstverlichting is die je niet hoeft te vervangen
Er wordt in december veel gesproken over duurzame keuzes rond kerst, meestal over de boom zelf. Echt of kunst, met kluit of zonder. De verlichting blijft daarbij vaak buiten beeld, terwijl daar per huishouden meer plastic en elektronica in omgaat dan in de boom.
Een set die tien jaar meegaat is duurzamer dan drie sets die elk drie jaar halen, ook als die ene set meer kost en zwaarder verpakt is. Dat is geen ingewikkelde afweging, maar hij wordt zelden gemaakt op het moment dat je in de winkel staat en de goedkope doos vooraan ligt.
Koop dus liever één keer goed en berg het netjes op. Dan is de doos die volgend jaar van zolder komt gewoon een doos met werkende lampjes, en niet het begin van een avond ergernis.
